
Mama Sranan - de culturele smeltkroes van Suriname
- Suriname
- Cultuur
- Geschiedenis
- Groepsreis (Nederlandstalig)
- +4

Mijn opdracht voor de Nederlandse ambassade zat erop. In de afgelopen acht maanden had ik eenentwintig jaar ontwikkelingssamenwerking tussen Nederland en Suriname uit de archieven naar boven gehaald. Die samenwerking was uitgegroeid tot een politiek beladen dossier, met spanningen die soms deden denken aan de Koude Oorlog tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.
Ik was nog maar ruim een jaar terug in Suriname. De eerste dagen op de ambassade moest ik om mezelf lachen. Daar zat ik dan, hoog en droog in een hypermodern gebouw met computergestuurde airco, terwijl beneden straatarme Surinamers óf smolten in de genadeloze zon óf werden weggespoeld door een tropische regenbui. Zo werd je dus geen Surinamer.
Vanwege de gevoeligheden mocht ik vooral geen evaluatierapport schrijven, maar een ‘verantwoording aan de Nederlandse belastingbetaler’ over de besteding van het ontwikkelingsgeld. Ik had talloze confidentiële dossiers mogen inzien. Maar, zo waarschuwde de dame van het archief me al op de eerste dag: “De echt vuurrode mappen krijg je toch nooit te zien.”
Het werd een ideale kennismaking – vanuit diplomatiek perspectief – met een stukje recente Surinaamse geschiedenis van mijn geboorteland. Soms ook een bizarre gewaarwording: eenentwintig jaar aan emotieloze feiten over een periode die voor veel Surinamers juist dramatisch en ingrijpend was. De onafhankelijkheid in 1975 (waarop ook ik, opgroeiend in Amsterdam, beretrots was), de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname (CONS), de militaire coup van 1980, een dans die ik ontsprongen was, de opschorting van ontwikkelingshulp na de Decembermoorden van 1982, de noodhulp tijdens de Binnenlandse Oorlog (1986-1992), de sociaal-economische neergang, de hervatting van de hulp na de herinvoering van de democratie (1987), het moeizaam opkrabbelen, de ‘telefooncoup’ (1991) en de tweede opschorting van hulp, het overleg met Nederland op Bonaire en het daaruit voortvloeiende Raamverdrag ‘inzake vriendschap en nauwere samenwerking’ (1992).
Het land had grootse plannen met zichzelf. De visies van mannen als Frank Essed en Henk Arron kwamen op papier weer tot leven. Esseds concept ‘De Mobilisatie van het Eigene’ vormde een belangrijk uitgangspunt in het Meerjarenontwikkelingsplan. Maar de tragiek was dat Suriname al leegstroomde voordat de onafhankelijkheid werd uitgeroepen. Essed pleitte voor een ‘big push’ – niet voor pinda's verbouwende keuterboeren of pottenbakkende vrouwtjes, maar voor grootschalige, miljoenen verslindende projecten met een ‘algeheel stuwend’ karakter. De omvangrijke hulp heeft de beoogde ontwikkeling niet gebracht. Integendeel, ze werkte verstikkend op de productiviteit en versterkte het consumptieve patroon. Een kennis vatte het eens treffend samen: “We gingen vroeger twee keer per jaar met vakantie naar Nederland of Amerika, maar vergaten het land op te bouwen.”
En nu, na vijftig jaar onafhankelijkheid, is Suriname een aardolie-‘hotspot’. Binnen enkele jaren zullen de miljarden oliedollars binnenstromen. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Maar hebben we onze lessen geleerd? Je hoort vaak de vraag: “Heb jij nog hoop voor Suriname?” Natuurlijk, zeg ik steevast: zolang er mensen en vooral kinderen zijn, is er altijd hoop.